De Vrede van Westfalen

Intocht van de gezant Adriaen Pauw
Intocht van de gezant Adriaen Pauw
High Resolution (71 KB)

Uitwisseling van de bekrachtigde oorkonden
Uitwisseling van de bekrachtigde oorkonden
High Resolution (49.5 KB)

Toen op 24 oktober 1648 in Munster en Osnabruck de eindverdragen van de Vrede van Westfalen ondertekend werden, eindigde een oorlog die in 30 jaar tijd de Duitse bevolking met bijna 40 procent verminderd had.

In dit vredesverdrag werden de oude rechten van adel en geestelijkheid hersteld en werd de overdracht van de gebieden van de Duitse keizer aan Frankrijk en Zweden geregeld. De toekomstige positie van de geloofsgemeenschap en de nieuwe bevoegdheden van de keizer, de regering en de vertegenwoordigende lichamen werden vastgelegd.

De bisdommen Metz, Toul en Verdun werden aan Frankrijk toebedeeld. Habsburg stond de landgraafschappen Ober- en Unterelsaß, Sundgau en de landvoogdsrechten op 10 rijkssteden in de Elsaß af. Verder kwamen ook de vestingen Breisach en Pinerolo in het bezit van Frankrijk, dat ook het recht kreeg om Philippsburg (bij Bruchsal) bezet te houden.

De oorlogswinst van Zweden bestond uit de eilanden Usedom, Rügen en Wollin, Vorpommern met de monding van de Oder inclusief Stettin, alsook de stad Wismar. Zweden kreeg ook de vestingen Bremen en Verden/Aller in leen, met zetel en stem op de rijksdag. Als herstelbetaling moesten de rijksdistricten vijf miljoen rijksdaalder bijeenbrengen.

Brandenbrug kreeg de bisdommen Cammin, Minden en Halberstadt, alsook Hinterpommern. Tevens mocht het aanspraak maken op het vorstendom Magdeburg. In ruil voor Wismar kreeg Mecklenburg de bisdommen Schwerin en Ratzeburg. Saksen kon de Lauritz behouden. Hessen-Kassel kreeg de abdij Hersfeld en het graafschap Schaumburg toebedeeld.

Beieren behield de Oberpfalz en de keurvorstelijke waardigheid over de Pfalz, maar de Rheinpfalz werd samen met een nieuwe, de achtste keurvorstelijke waardigheid aan de zoon van Friedrich II, Karl Ludwig, teruggegeven.

De keizer verloor aan macht, de keurvorsten en vorsten kregen gelijkwaardige rechten. De vorsten kregen het recht onder elkaar en met buitenlandse machten naar eigen goeddunken bondgenootschappen aan te gaan. De buitenlandse politiek van de keizer werd afhankelijk van de toestemming van de rijksdag. De rijkssteden traden in de rijksdag voortaan als derde macht op met zetel en stem naast de vorsten en keurvorsten.

In de regeling met betrekking tot de geloofsovertuiging staat een grondbeginsel, dat tot op de dag van vandaag geldt. Het oude principe "Cuius regio, eius religio" (wiens gebied, diens geloof) legde vast dat de bevolking het geloof van de heerser moest delen. Met de Vrede van Westfalen werd dit principe in belangrijke mate verruimd: de confessionele positie en de bezittingen van de geestelijke bisdommen werden definitief vastgelegd. Hiervoor werd de situatie van het jaar 1624 als uitgangspunt genomen (het zogenaamde "Normaljahr"). Sinds 1624 werd er aan de verdeling van de geloofsovertuiging in Duitsland tot op vandaag bijna niets veranderd. Religieuze conflicten werden in het vervolg op de rijksdagen door de corpora catholicorum en evangelicorum, de confessionele organen, op diplomatieke wijze beslist.


[Top]


| HOMEPAGE | EVENEMENTEN | VREDESNETWERK | VISIE | DIMENSIES | GASTBOEK | RONDLEIDINGEN | PERSFORUM | OORLOG | VREDE | PERSONEN | TIJDSBAND | SITEMAP | ARCHIEF | E-MAIL | IMPRESSUM |

© 1998 STADT MÜNSTER - Projektgruppe 1998 in Zusammenarbeit mit dem Presse- und Informationsamt
Realisation: agenda media Agentur für interaktive Medien GmbH